Negenennegentig jaren werden haar gegeven,
bijna een eeuw waarin zij haar weg ging.
Geboren in een tijd waarin het gewone nog eenvoudig was,
waar de gewone man nog geen auto reed, geen telefoon klonk in het huis waar haar wieg heeft gestaan
en het licht van een televisie nog onbekend was.
Het is eenenveertig en een half jaar geleden
dat zij haar man moest loslaten
en de naam weduwe haar werd toevertrouwd.
Eenenveertig en een half jaar—
een hele generatie die voorbijtrok,
voordat ook haar dag kwam
om het leven los te laten.
En vandaag stond haar kist
bij het ruwe houten kruis in de kerk.
Dat kruis—ouder dan de eeuw die zij bijna leefde,
maar het vaste anker in haar bestaan,
in dagen van vreugde en in tijden van gemis.
Onder de klanken van het lied: het ruwhouten kruis
werd zij uitgedragen door haar kleinkinderen,
terwijl haar achterkleindochter, trots en liefdevol,
haar foto vooruit droeg.
Vandaag, na al die jaren,
is zij weer verenigd met de man
die zij zo heeft gemist.
Samen met hen die na haar komen,
hebben wij haar toevertrouwd aan de aarde,
in het stille vertrouwen
dat zij geborgen is op een betere plaats.
Maar ook dat zij voortleeft—
in hen die zij achterlaat,
in hun herinneringen, in hun leven,
in de liefde die zij doorgaf.
En zo dragen zij nu hun eigen weg,
nemen hun eigen kruis op,
en volgen zij het spoor van leven en geloof
dat zij heeft voorgeleefd.
Bijna een eeuw was haar gegeven—
en wie weet, als wij vooruitkijken,
zal haar verhaal nog doorklinken.
Misschien zelfs voorbij de honderd jaar die komen gaan …