Als zestienjarige jongen werd hij in 1955 uit zijn geboortedorp Barneveld de wereld in gestuurd, niet op zoek naar geluk, maar gedreven door de noodzaak om geld te verdienen voor het gezin. In de grote stad Rotterdam monsterde hij aan als matroos op het schip Selamat van de Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Vanaf de kade liet hij het vertrouwde achter zich en voer hij het onbekende tegemoet. Bij zijn vertrek stonden er maar weinig mensen om hem uit te zwaaien.
Hoe anders was het nu.
Bij zijn vertrek uit Barneveld stond aan weerszijden van de weg een lange erehaag. Dit keer was hij niet alleen. Velen waren gekomen om hem uit te zwaaien en hem een behouden vaart te wensen.
We keken de rouwauto na tot hij langzaam uit het zicht verdween. Maar waar hij uit onze ogen verdween, bleef hij voorgoed bij ons — gedragen in onze herinneringen, en meevarend in ons hart.
HET SCHIP
We staan nu aan de kade,
de wind waait zacht in onze jassen.
Een schip ligt klaar om te vertrekken,
geen groots afscheid,
geen woorden die genoeg zijn.
Langzaam komt het in beweging.
Het water rimpelt,
trossen worden losgegooid,
en wij zwaaien —
alsof je ons nog kunt zien.
Iemand zegt:
“Daar gaat Willem…”
En ja,
voor onze ogen
verdwijn je stukje bij beetje
achter de horizon.
Maar verdwijnen is niet het juiste woord.
Want het schip is niet minder geworden,
niet leger,
niet minder echt
dan toen het hier nog lag.
Het is alleen
uit ons zicht gegaan.
En terwijl wij stil worden
en achterblijven met gemis,
is er ergens —
verder dan wij kunnen kijken —
een andere kade,
waar mensen op je wachten,
waar stemmen warmer klinken,
waar iemand roept:
“Kijk, daar komt Willem!”